Sitting silently beside my friend – tussen hoop en wanhoop (3)

We hadden het over hoop. En moed. Maar het was alweer een tijdje stil.
Ik hield haar huilende gezicht in mijn handen.

“Geef de moed niet op. Houd alsjeblieft hoop!”

Ik had het nog nooit zo krachtig gevoeld toen ik het wilde zeggen, maar toch niet zei.
Ik meen het. Ik wil dat ze hoop houd. Dat ze volgeladen met moed door gaat! Elk dag weer een stapje verder. Het maakt niet uit hoe klein de stapjes zijn…

Maar tuimel alsjeblieft niet nog dieper naar beneden… Dacht ik. Hoopte ik en bad ik met vuur in mijn hart.

Ik wilde haar zeggen: stop nooit met lopen zolang je door kunt gaan! Maar de woorden kwamen niet. Het bleef stil in haar kamer. Zelfs haar snikken verstomde. Het was zo stil dat je haar tranen kon horen vallen op de stenen vloer.
Het is leeg in de kamer. En kil. Het is niet haar kamer. Het is een witte kamer. Met niets van haar. Alleen wat spullen van haar die half in- en uitgepakt in een koffer onder de tafel waren geschoven.

En in de stilte riep ik het uit naar God. De woorden die ik eigenlijk tegen haar wilde zeggen, maar niet wist hoe ik het moest noemen. Ik voelde ze alleen.
Alleen de woorden voelen, maar geen woorden kunnen geven… en je staat er zo machteloos mee te vechten.

“Zegen haar, Heer! Geef haar de zegeningen waar ze zo naar verlangd zodat ze weer kan hopen. Geef dat ze uw zegen mag ervaren. wacht niet langer, Heer!”

Wat kun je op een moment zeggen of doen als wanhoop overheerst? Grote onrust dat alle hoop en vertrouwen wegveegt alsof het nooit had bestaan. En zelfs nooit meer kán bestaan.

Waarom, Heer van het leven, kan een mens zich zo wanhopig voelen dat ze niet meer wil leven? Hoezo, een mens krijgt niet zoveel te verdragen als dat het niet aan kan? Ik heb moeite om te geloven in hoop en moed als ik mij laat leiden door deze leugens die zich als sluipwespen ook in mijn gedachten willen nestelen.

“We moeten blijven bidden. Blijven hopen.” Fluisterde ik haar toe in die immense stilte.

De leugens van de boze sluipen om haar heen en het lijkt dichter bij te kunnen komen als ooit tevoren. Ik ben bang. Ze kijkt me aan en knikt. Maar ogen zijn de poorten naar de ziel. Haar ziel lijkt zo leeg. Een leeg vat dat spoedig gevuld moest worden, nog voor dat de tijd haar zou laten geloven in die leugens waardoor ze haar leven zou willen achterlaten…

Het doet pijn om zo machteloos te staan tegenover datgene wat je zo stevig probeert vast te houden.

Je zou willen duwen en trekken. Redden en helpen. Maar de intense echtheid van dit alles doet je beseffen dat het niet kan. Je kunt er alleen maar zijn. En zwijgend naast haar zitten.

Moet ik loslaten Heer? Hoe kan ik loslaten? Wat gebeurt er als ik loslaat waar zij zich zo stevig aan vast houd?

Blijven vertrouwen. Moed houden. Hoop niet verloren laten gaan. Vasthouden aan de dingen die er werkelijk toe doen. En ondertussen wankelend doorstappen op de randjes van het leven.

Hoe houden we vol Here…?