Mededogen voor het gekwetste kind in jezelf – hoe je kunt herstellen van pijn uit het verleden

Published by

on

Over het erkennen van innerlijke pijn, het helen van oude wonden en het ontwikkelen van zachtheid naar jezelf.

Soms overvalt je een golf van medelijden met jezelf. Je gedachten dwalen terug naar momenten van onrecht, pijn en gemis. Dat is niet vreemd – het is een diep verlangen naar heling voor het kind in jou dat ooit werd gekwetst. Toch klinkt ‘medelijden’ vaak alsof je blijft hangen in slachtofferschap. Noem het liever mededogen: liefdevolle aandacht voor het gekwetste kind in jezelf. Het is een zachte uitnodiging om je verleden te omarmen, zodat je werkelijk aanwezig kunt zijn in het heden.

Wie opgroeit in een moeilijke thuissituatie, draagt vaak onzichtbare littekens met zich mee. Als volwassene kun je merken dat oude pijn blijft haperen op de achtergrond. Je draagt een last die je niet bewust hebt gekozen, maar die je wel belemmert. Eenzaamheid, gevoelens van onrecht, bitterheid – ze blijven sluimeren, juist omdat je niet goed weet hoe je met die overweldigende emoties moet omgaan.

Als kind leerde je jezelf te beschermen. Je bouwde een muur om je hart, sloot je af van de buitenwereld en vluchtte in je eigen veilige binnenwereld. Maar wanneer het heden botst met het verleden, herhaalt dat beschermingsmechanisme zich. Je reageert dan nog steeds vanuit het gekwetste kind in jou.

Het kind in jou…

  • … dat zich eenzaam voelde terwijl het hunkerde naar liefde en geborgenheid.
  • … dat de liefde van vader of moeder – of beide – moest missen.
  • … dat werd gepest, afgewezen of genegeerd.
  • … dat droomde van wegvliegen, omdat blijven te pijnlijk was.
  • … dat werd geslagen, geknakt, vernederd – maar niet gebroken.

Liefde en geborgenheid zijn geen luxe, maar basisbehoeften. Als je die hebt gemist, voel je dat gemis des te sterker in je volwassen leven. Je wordt telkens opnieuw geconfronteerd met de gevolgen ervan.

Je wilt niet dat het verleden je blijft achtervolgen. Die zware rugzak vol pijnlijke herinneringen wil je eindelijk neerzetten, zodat je vrij kunt leven in het nu. Je verlangt ernaar om los te komen van de kindertijd die je gevangenhoudt, die je belemmert om te worden wie je werkelijk bent.

Je verleden heeft je gevormd tot de persoon die je nu bent – iemand met diepgang, passie en mededogen. Maar de ketenen van vroeger kunnen je nog steeds onzeker maken. Ze beïnvloeden je keuzes, je relaties, je vertrouwen. Ze houden je vast in een gevoel van afhankelijkheid, juist omdat vergeving zo moeilijk is.

Het is een pijnlijke waarheid: zolang je blijft vasthouden aan wat was, blijf je leven vanuit het gekwetste kind. En dan is er geen ruimte om werkelijk te groeien in volwassenheid.

Mededogen voor het gekwetste kind in jezelf

Lieve kleine ik…

Zoals een moeder haar pasgeboren kind tegen zich aandrukt,
zo houd ik jou dicht bij mij –
beschermend, verborgen in mijn armen.
Ik draag je als een lied in mijn hoofd,
wiegend op het ritme van de wind.

Dicht bij mijn hart houd ik je vast,
bang om je kwijt te raken.
Ik klem je stevig vast aan mijn gekwetste verleden,
omdat ik niet weet hoe ik je moet loslaten.

Maar lieve kleine ik…
als ik jou blijf vasthouden,
verlies ik het zicht op mijn toekomst.

Neem maar afscheid van de tijd
die niets meer kan geven
dan wat al geweest is.

Ga terug naar toen –
naar het zijn dat voorbij is.
En als je gaat, huil dan niet.
Wij blijven hetzelfde kind,
ook zonder samen te zijn.

© Tineke Venhuizen

Ergens diep van binnen overtuigd zijn van iets, kan een bron van kracht zijn. Geloof – in welke vorm dan ook – kan als een innerlijke motor werken. Het helpt je koers te houden, vooral in tijden van pijn en verdriet. Het biedt troost, richting en hoop.

Maar geloof kan ook confronterend zijn. Zeker wanneer je gelooft in een liefdevolle God, en je leest hoe Jezus de kinderen bij zich roept. Dan kan er verdriet opkomen, omdat jij je als kind misschien helemaal niet zo geliefd hebt gevoeld. Je vraagt je af:

Waar was God toen ik Hem het hardst nodig had?
Was Hij mijn Helper in mijn onmacht?
Een troostend lied in de donkerste nacht?

“Ik was zo bang… maar God? Nee, die heb ik niet ervaren.”

Het zijn eerlijke, rauwe gedachten. Gedachten die velen met je delen. En toch…

Toch geloof ik dat die stille fluistering – die schreeuw van onmacht – niet verloren gaat in het niets. Onze diepste gevoelens verlangen naar erkenning. Onze stem wil gehoord worden. Onze ziel wil gezien en geliefd zijn. En als dat uitblijft, blijft het leeg… onbeantwoord.

Wat zou het helend zijn als je een stem zou horen – warm, liefdevol, vol erkenning – die zegt:

“Mijn lieve kind, Ik was bij je…”
Niet als excuus, maar als troost.
Niet als uitleg, maar als bevestiging.
“Ik bén bij je.”

Je hebt een plaats dichtbij Hem.
Als een geliefd kind, omarmd door de Schepper van het leven.

Kunnen de beschadigingen uit je kindertijd ooit echt helen? Kunnen de littekens die je als kind opliep – en die je nu als volwassene nog steeds voelt – verzacht worden?

De pijnlijke waarheid is: wat er toen gebeurde, kan niet ongedaan worden gemaakt. Er is geen magisch moment waarop alles ineens goedkomt. Soms ervaart een kind troost of bescherming, maar vaak blijft het alleen achter met de gevolgen van wat anderen hebben aangericht. En die gevolgen kunnen diep snijden.

Toch geloof ik dat herstel mogelijk is. Niet door het verleden uit te wissen, maar door het met liefdevolle aandacht te erkennen. Door te geloven dat er een God is die alles zag, alles voelde – en die het kind in jou nooit uit het oog verloor. Een God die hunkert om te troosten, om nabij te zijn, om te helen.

In deze gebroken wereld is er afstand ontstaan tussen mensen en hun Schepper. Misschien zijn we meer gaan geloven in onze eigen pijn dan in Zijn liefde. Maar ik geloof dat Gods hart breekt om het leed dat wij meemaken. En dat Hij verlangt naar herstel – niet alleen van onze relatie met Hem, maar ook van ons beeld van onszelf.

Wanneer we met mededogen naar ons gekwetste verleden durven kijken, ontstaat er ruimte. Ruimte om opnieuw te leren geloven in een liefdevolle Vader. Een Vader die wél aanwezig was, ook al voelde dat niet zo. Een Vader die ons uitnodigt om bij Hem te komen, zodat Hij kan helen wat gebroken is.

We hoeven het niet alleen te doen. We mogen ons gebroken hart, onze gebroken dromen, in Zijn handen leggen. En dan… erop vertrouwen dat Hij eraan werkt. Ook als het langzaam gaat. Ook als we het niet meteen voelen.

Er was eens een meisje van negen jaar. Elke avond voordat ze ging slapen, schreef ze kleine briefjes aan de Here Jezus. Op een avond schreef ze een heel belangrijk verzoek: of Hij haar wilde laten voelen dat haar vader van haar hield – iets wat ze zo diep miste. Ze legde het briefje stilletjes op haar nachtkastje, samen met een pen. “U kunt me antwoorden terwijl ik slaap,” fluisterde ze hoopvol. “De pen ligt al klaar.”

De volgende ochtend sprong ze verwachtingsvol uit bed. Maar het briefje was nog precies zoals ze het had achtergelaten. De pen onaangeraakt. Geen antwoord. Geen teken.

“Waarom heeft U niets geschreven?”
De teleurstelling sneed diep.
“Ik had het U zo makkelijk gemaakt…”

Ze huilde. Niet alleen om het lege briefje, maar om het lege gevoel in haar hart. En ergens, op dat moment, gaf ze haar hoop op. Als zelfs Jezus niet van haar hield, wie dan wel?

De dagen gingen voorbij. De pijn werd stiller, maar niet minder. Ze bouwde een muur om haar hart – een muur van zelfbescherming. Haar aardse vader had haar teleurgesteld. Haar Hemelse Vader hield ze op afstand.

In plaats van liefde en geborgenheid, groeide er een diep wantrouwen. Niet alleen tegenover mensen, maar ook tegenover God. Toch laat God een kind niet zomaar los. Hij zoekt wegen om Zijn liefde te tonen – vaak via andere mensen. Hij werkt door harten heen, om te troosten, te bemoedigen, te helen.

Jaren later, als volwassen vrouw, begon ze te ontdekken dat God er wél was geweest. Niet zichtbaar, niet tastbaar, maar wel dragend. Ze had het overleefd – sterker nog, ze was gegroeid. En dat had ze niet alleen gedaan.

Ze begon opnieuw te vertrouwen. Niet omdat ze het voelde, maar omdat ze het begon te zien: in de kracht die ze had gekregen, in de mensen die op haar pad kwamen, in de liefde die haar langzaam weer raakte.

God zat misschien niet fysiek naast haar op de bank, maar Hij hield haar vast in Zijn Vaderlijke armen. En dat besef veranderde alles.

Herstel is een proces. En dat proces begint met vergeving. Niet om goed te praten wat fout was, maar om jezelf los te maken van de macht die het verleden nog over je heeft. Tijdens dat proces kan ook het beeld van God als Vader herstellen. Voor mij waren die twee onlosmakelijk verbonden: het vergeven van mijn vader en het opnieuw leren vertrouwen op God.

Zolang mijn vader nog een dominante rol speelde in mijn gedachten, kon ik God niet als liefdevolle Vader zien. Zijn gezicht werd overschaduwd door mijn pijn. Pas toen ik mededogen leerde hebben voor mijn gekwetste kind-zijn, kon ik beginnen met vergeven. En pas toen kon ik God zien zoals Hij werkelijk is.

Mededogen is de sleutel.
Erkenning. Aanvaarding. Liefdevolle aandacht voor wie je was – en nog steeds bent.

  1. Herstel is mogelijk, maar vraagt tijd en toewijding
    Emotionele wonden uit de kindertijd kunnen niet ongedaan worden gemaakt, maar ze kunnen wél helen. Herstel begint met het erkennen van je pijn en het toestaan van mededogen voor jezelf.
  2. Gods aanwezigheid is niet altijd voelbaar, maar wel werkelijk
    Ook als je Hem niet ervoer in je diepste pijn, betekent dat niet dat Hij er niet was. Zijn aanwezigheid is geestelijk, niet altijd zichtbaar, maar wel dragend.
  3. Vergeving is een sleutel tot bevrijding
    Vergeving is geen goedkeuring van wat fout was, maar een manier om jezelf los te maken van de macht die het verleden nog over je heeft. Het opent de weg naar innerlijke vrijheid.
  4. Het beeld van God kan vervormd zijn door aardse ervaringen
    Als je vader of moeder je pijn heeft gedaan, kan dat je beeld van God als liefdevolle Vader vertroebelen. Dat beeld mag – en kan – herstellen.
  5. Mededogen is de eerste stap naar heling
    Door liefdevolle aandacht te geven aan het gekwetste kind in jezelf, ontstaat ruimte voor vergeving, herstel en groei. Mededogen betekent: jezelf erkennen, aanvaarden en omarmen.
  6. God werkt door mensen heen
    Zelfs als je Hem niet direct ervaart, kan Hij via anderen Zijn liefde tonen. Mensen kunnen spiegels zijn van Zijn troost, nabijheid en bevestiging.
  7. Je hoeft het niet alleen te doen
    Het is niet jouw taak om jezelf volledig te helen. Je mag je overgeven aan God, die jouw gebroken hart met zorg en liefde wil dragen.

Soms dragen we als volwassenen nog steeds het stille verdriet van het kind dat we ooit waren. Een kind dat zich niet gezien voelde, niet geliefd, niet veilig. En hoewel we zijn opgegroeid, leeft dat kind nog in ons – wachtend op erkenning, op troost, op heling.

Herstel begint niet met vergeten, maar met erkennen. Met zachtmoedige aandacht voor dat gekwetste deel in onszelf. Mededogen opent de deur naar vergeving – niet om het verleden goed te praten, maar om onszelf los te maken van de macht die het nog over ons heeft.

En in dat proces mogen we ontdekken dat we niet alleen zijn. Zelfs als we Hem niet voelden, was God nabij. Niet als een tastbare aanwezigheid, maar als een dragende kracht. Hij was er – en is er nog steeds. In de stilte. In de liefde van anderen. In de kracht die ons overeind hield toen we dachten dat we zouden breken.

We mogen leren om opnieuw te vertrouwen. Om het beeld van God als liefdevolle Vader te laten herstellen. En om onszelf te zien zoals Hij ons ziet: kostbaar, geliefd, en nooit alleen.

Wil je actief aan de slag met het helingsproces?

Download via deze link het bijbehorende werkblad met reflectievragen en oefeningen