Verwondering begint waar haast eindigt.
Ik merk het meestal pas als ik er al middenin zit.
Dat mijn hoofd ergens drie stappen vooruit is, terwijl de rest van mij nog bezig is met iets wat allang voorbij is. Dat ik dingen doe, afvink, oplos… en ondertussen eigenlijk niet echt oplet.
En dan gebeurt er, ergens tussendoor, iets kleins. Iets wat je normaal voorbijloopt, maar er ineens gewoon is. Een lichtval. Een geluid.
Of dat ene moment waarop je ineens stilvalt en denkt: oh…
En meestal denk ik daarna ook: dit was er dus al die tijd al.
Verwondering voelt voor mij niet als iets wat ik moet leren.
Eerder als iets wat zich aandient… zodra ik er eindelijk een beetje bij ben.
Alleen zit daar een klein probleem. Ik ben er lang niet altijd bij.
Sterker nog: ik ben er opvallend vaak nét niet.
Dan ben ik bezig met wat er nog moet, wat ik nog wil, wat slimmer, sneller of handiger kan… en ondertussen glip ik zelf een beetje langs de rand van mijn eigen dag.
En ergens is dat ook best een talent. Hoe snel je iets kunt zien… zonder het echt te zien.
Tot je even stopt.
En dat stoppen is niet perse bijzonder. Het is niet dat ik ineens uren stil ga zitten kijken naar een boom en denk: nu ben ik in balans. (Hoewel dat inderdaad best rustgevend klinkt.)
Het zit eerder in iets heel onopvallends. Dat ik net één seconde langer blijf kijken naar iets dat even mijn aandacht trok.
Dat ik niet meteen doorloop. Dat ik ergens even bij blijf, zonder dat het ergens toe hoeft te leiden.
En dan gebeurt er iets geks… in hoe ik kijk.
Alsof mijn blik iets zachter wordt. Alsof er ineens meer binnenkomt dan normaal. Alsof ik iets zie wat er al was, maar waar ik gewoon niet op afgestemd was.
En soms moet ik daar ook een beetje om lachen. Hoeveel er eigenlijk is op een dag en hoe makkelijk ik daar normaal gesproken langsheen vlieg alsof ik ergens te laat voor ben…
Verwondering zit voor mij niet in grote dingen. Niet in bijzondere momenten waarvoor je eerst een berg moet beklimmen of een retraite moet boeken.
Het zit juist in het gewone.
In alles wat er al is, maar pas zichtbaar wordt als je er even bij blijft.
En wat ik merk, is dat het me niet “beter” maakt. Niet productiever. Niet succesvoller. Helaas ook niet ineens een ochtendmens.
Maar wel rustiger.
Minder bezig met hoe iets zou moeten zijn. Minder snel geïrriteerd door dingen die vooral veel haast in zich dragen.
Er komt ruimte.
En in die ruimte hoeft niet meteen iets opgelost te worden.
Het gekke is: niets verandert echt. De dag blijft gewoon dezelfde. De taken ook. De mensen ook.
Alleen mijn manier van kijken verschuift een beetje. En dat maakt verschil, omdat ik het iets vaker begin te zien.
Het zit vaak in die kleine momenten. Dat ik even stilsta. Even kijk. Even blijf.
En meestal is dat al genoeg.
Of eigenlijk… meer dan genoeg.
