Je lichaam weet vaak eerder dan je hoofd of iets goed voelt.
Ik hoor mezelf het nog zeggen:
“Ja hoor, dat is goed.”
En terwijl de woorden er al uit zijn, voel ik ergens vanbinnen dat het niet helemaal klopt. Het is geen groot signaal en het valt ook niet meteen op, het zit meer in een kleine frictie die ik makkelijk kan negeren als ik doorga.
Je hoort jezelf “ja” zeggen…
en ergens voelt het al niet meer helemaal als jouw antwoord.
Dat ging lange tijd vrij vanzelf.
Ik was gewend om mee te bewegen, om rekening te houden en om het voor iedereen prettig te houden. Dat lukte me goed en het werd ook gewaardeerd, want ik was iemand op wie je kon rekenen en die er was wanneer dat nodig was.
Alleen merkte ik gaandeweg dat ik mezelf daarin minder goed terug kon vinden.
Het zat in kleine veranderingen die ik zelf moeilijk kon vastpakken, in antwoorden die mijn mond al uit waren voordat ik echt had gevoeld wat ik ervan vond, en in gesprekken waarin ik vooral luisterde naar de ander, terwijl mijn eigen ruimte steeds verder naar de achtergrond schoof.

Op een gegeven moment begon ik dat steeds vaker te voelen.
Er bleef een soort restgevoel hangen na bepaalde situaties, iets wat niet direct te benoemen was maar wel bleef schuren.
Ik merkte dat ik vooraf al nadacht over hoe iets zou landen, alsof ik mijn woorden eerst moest afstemmen voordat ze überhaupt naar buiten mochten.
En ergens zat daar een stille vraag onder:
waar ben ik eigenlijk gebleven in dit geheel?
Wat me toen opviel, is dat een grens zich bijna nooit aankondigt met woorden. Het zit eerder in hoe iets aanvoelt. In een lichte spanning, een terughoudendheid of juist een soort inzinking. Een signaal dat er even is en net zo makkelijk weer verdwijnt als je er geen aandacht aan geeft.
En dat deed ik best vaak.
Want doorgaan voelde vertrouwd, het hield alles soepel en overzichtelijk, alleen bleef er ondertussen iets liggen wat ik pas later begon te herkennen.
Na sommige gesprekken voelde ik me leeg zonder duidelijke reden. Ik merkte dat ik mezelf al corrigeerde voordat ik iets uitsprak. En ik begon te zien hoe vaak ik antwoord gaf zonder echt te hebben gevoeld wat ik eigenlijk had willen antwoorden.
Dat moment waarop je al weet dat het eigenlijk niet klopt
en toch gewoon verder praat alsof er niets aan de hand is.
En eerlijk is eerlijk, daar zat ook iets licht ongemakkelijks in.
Dat je halverwege een zin denkt: dit ben ik weer lekker aan het doen.
Wat eronder zat, werd steeds duidelijker. Ik wilde het goed doen. Ik wilde verbinding houden. Ik wilde dat dingen soepel bleven verlopen.
Alleen betekende dat vaak dat ik een stukje van mezelf opzij schoof zonder dat bewust te besluiten.
Het moment waarop er echt iets begon te veranderen kwam niet zomaar ineens, maar zat in kleine momenten waarin ik mezelf iets vaker de tijd gaf. Dat ik even wachtte voordat ik iets zei, dat ik voelde wat er gebeurde voordat ik reageerde, en dat ik mezelf afvroeg of iets eigenlijk wel aansloot, in plaats van er automatisch in mee te gaan.
Dat leverde niet meteen heldere antwoorden op. Het bleef weleens stil, of ik raakte juist in de war, en af en toe was er ineens herkenning, doordat ik begon te zien hoe automatisch bepaalde patronen bij mij liepen.
Geleidelijk begon ik het verschil te merken. Ik betrapte mezelf erop dat ik af en toe iets anders zei dan ik gewend was, of dat ik juist even niets zei en bleef bij wat er gebeurde. Dat voelde niet vanzelfsprekend, eerder alsof ik moest wennen aan een ander tempo waarin ik mezelf iets meer de ruimte gaf.
In diezelfde periode begon ik ook iets anders te merken. Er kwam langzaam meer stevigheid in hoe ik me voelde, alsof er ruimte ontstond waarin ik mezelf weer iets beter kon terugvinden in wat ik deed en zei.
Wat ik ben gaan begrijpen, is dat grenzen minder te maken hebben met een perfect “nee”.
Wat ik ook begon te merken, is dat dit niet vanzelf verandert.
Ik dacht ergens dat het wel zou komen. Dat ik het op een dag gewoon beter zou voelen.
Maar zo werkte het eigenlijk niet.
In mezelf zat zoveel automatisme. Antwoorden die er al uit waren voordat ik goed en wel had gevoeld wat ik ervan vond. Een soort reflex om het voor de ander kloppend te maken, nog voordat ik wist of het voor mij klopte.
En daar moest ik dus iets in leren.
Dat ik mezelf even tegenhield voordat ik reageerde. Dat ik een vraag niet meteen invulde. Dat ik iets langer bleef bij wat ik voelde, ook al wist ik nog niet precies wat dat was.
En eerlijk, dat voelde in het begin een beetje vreemd. Alsof ik iets onderbrak wat altijd vanzelf ging.
Maar juist daar gebeurde iets.
Daar zat dat kleine stukje ruimte waarin ik ineens kon merken: dit wil ik eigenlijk wel… en dit niet.
En hoe vaker ik dat deed, hoe minder het voelde als iets wat ik moest bedenken, en hoe meer het iets werd wat vanzelf opkwam.
En zeker niet perfect, en ook zeker niet altijd, maar wel steeds een beetje duidelijker.
Blijkbaar kun je jezelf aanleren om over jezelf heen te gaan, en dus ook om weer naar jezelf te luisteren.
Grenzen laten zich vaker voelen dan dat ze zich laten bedenken.
Ze zitten dichter bij het moment waarop je jezelf hoort, en bij de bereidheid om daar aandacht aan te geven, ook als het nog niet duidelijk is.
Dat lukt niet altijd.
Er zijn momenten waarop ik het achteraf pas zie, waarop ik alsnog meebeweeg en mezelf later terugvind in een situatie waarvan ik denk: dit was eigenlijk niet nodig.
Dat soort momenten zijn inmiddels ook een beetje herkenbaar geworden.
Een soort vermoeidheid, een signaal dat ergens al eerder aanwezig was en waar ik overheen ben gestapt.
Dat je jezelf kunt betrappen op hoe goed je jezelf kunt overtuigen dat iets “prima te doen” is, tot je er later weer van moet bijkomen.
Wat het voor mij veranderd heeft, is niet dat ik het ineens altijd goed doe.
Het verschil zit in het eerder opmerken, in het vaker even stilstaan en in het langzaam serieuzer nemen van die kleine signalen.
Want hoe vaker je daarnaar luistert, hoe duidelijker je grens wordt.
Er komt meestal wel een moment waarop je het begint te merken.
Aan hoe moe je wordt van dingen die eigenlijk niet meer passen. Aan hoe vaak een “ja” automatisch klinkt, terwijl de energie ergens anders naartoe wil.
En ergens ontstaat dan ruimte om het anders te proberen. Kleiner, eerlijker, en iets dichter bij wat voor jou klopt.
Want hoe vaker je daar even bij stilstaat, hoe minder vaak je achteraf hoeft bij te komen van jezelf…
…en hoe minder je halverwege iets zit te doen waarvan je denkt:
serieus, hoe ben ik hier weer in beland?
